Regio en gemeenten moeten de regie in handen nemen

Holland Rijnland staat voor een flinke uitdaging. Als regio moeten we keuzes maken welke invulling we geven aan ons grondgebied. Eén ding is zeker: alle ruimtelijke claims honoreren gaat niet lukken. Daar is simpelweg niet genoeg ruimte voor. Maar welke claims wegen dan het zwaarst? En wie beslist daar eigenlijk over? Is het de gemeente, de provincie of het Rijk? Of kan een regio als Holland Rijnland hier een doorslaggevende rol in spelen? We vragen het aan Friso de Zeeuw, voorheen hoogleraar en tegenwoordig adviseur gebiedsontwikkeling.

‘Laat ik voorop stellen dat Holland Rijnland niet uniek is’, relativeert De Zeeuw. ‘Menig regio in Nederland worstelt met dezelfde vraagstukken omtrent ruimtelijke invulling. Waarin Holland Rijnland wel een beetje anders is, is dat er zowel stedelijkheid als landelijke gemeenten in zitten. Daarvan zie je ook een afspiegeling in de bevolking en de politieke samenstelling. De wensen lopen daardoor nogal uiteen. Gelukkig is de schaal van Holland Rijnland goed werkbaar. Met dertien gemeenten zijn beslissingen nog te nemen. Hier geldt: eenheid in verscheidenheid.’

Regio aan zet Dat de druk hoog is op de fysieke ruimte in Holland Rijnland, verbaast De Zeeuw niet. ‘Holland Rijnland is geliefd als woonplaats. Ingeklemd tussen de metropoolregio’s Amsterdam en Rotterdam-Den Haag, zit je overal dichtbij. Ook bij Schiphol. Dat maakt de regio ook aantrekkelijk als vestigingsplaats voor bedrijven. Er is een belangrijke wisselwerking tussen bedrijfshuisvesting en woonbehoefte. De gemeenten moeten daarin zelf, samen met hun maatschappelijke partners, in regionaal verband richting geven en keuzes maken. Want het Rijk en de provincie hebben geen goed totaalbeeld van Holland Rijnland. Helaas is tot nog toe het beleid in de regio fragmentarisch, terwijl er een forse opgave ligt. Er wordt nu gewerkt met scenario’s waarin extreme ontwikkelingen worden geschetst. Ik vind dat vrijblijvende bezigheidstherapie, want het wordt altijd een tussenvorm. Ik zou zeggen: geen tijd verspillen, de urgentie is groot.’

‘Ik pleit veelal voor een aantal te doorlopen stappen. Gemeenten moeten om te beginnen met elkaar praten over de gedeelde opgaven. Is daar overeenstemming over, dan kunnen een aantal schetsontwerpen verder helpen, met een stedenbouwkundige aan tafel. En dan wel één van het type beide benen op de grond. Werk in een afwisseling van rekenen met tekenen: de financiële realiteit disciplineert en dwingt keuzes af. Vermijd hierbij de vlucht naar voren. Heb het niet over 2050 maar eerder over 2030. Maar denk tegelijkertijd wel na over overmorgen. Dus neem niet alleen ad hoc-beslissingen voor de hele korte termijn. Zorg voor een gedegen wisselwerking van gebiedsontwikkeling en sectorale opgaven en koester de samenhang tussen de sectoren. En betrek zoveel mogelijk partijen erbij vanaf het begin van de planontwikkeling, bijvoorbeeld de provincie maar ook natuurclubs, LTO, ondernemers en ontwikkelaars. Maar wel partijen die verder kunnen kijken dan hun dagelijkse werkveld.’

Friso de Zeeuw

strategisch adviseur en emeritus hoogleraar gebiedsontwikkeling

Houtje touwtje Een gezamenlijk gedragen regionale visie is volgens De Zeeuw een belangrijke tegenhanger tegenover visies van het Rijk of de provincie. ‘Neem het gebied rondom Alphen aan den Rijn’, illustreert De Zeeuw. ‘Dat is voor een belangrijk deel al verstedelijkt, maar de rijksoverheid ziet het als een onlosmakelijk deel van het Groene Hart, als een soort monolithische, romantische abstractie. Ik zeg tegen de regiogemeenten: compartimenteer het Groene Hart. Elk deelgebied krijgt een eigen profiel, label en functiemix. Doe je dat niet, dan verrijzen uiteindelijk overal bedrijfshallen zoals bij Woerden en komen de echt waardevolle groene gebieden juist in gevaar. Breng al die aspecten in beeld en kom gezamenlijk tot gedragen keuzen. En ga daarbij vooral tot en met de pijngrens, oftewel hoe verdeel je het zuur eerlijk over de regio. Goede bestuurders – en die heeft Holland Rijnland – moeten leiding geven aan dit proces.’

En wat is dan de rol van het individuele raadslid bij dergelijke processen? De Zeeuw: ‘Dat is een terechte vraag. Regionaal besturen blijft toch een beetje houtje-touwtje werk qua bestuurlijke inbedding. Belangrijk is dat er een uitgebreide en frequente terugkoppeling is naar raadsleden. En doe iets met de signalen die zij geven. Dat is gelijk het maximaal haalbare, maar besteedt hier wel veel aandacht aan. Sla je hier geen acht op, dat gaat het fout. Raadsleden zullen zich afvragen: “Wat is nog onze invloed?” of “Moeten we de regio niet afbouwen? Wij moeten als gemeente bezuinigen terwijl de kosten van de regionale samenwerking blijven stijgen”.’

Trechter En hoe kom je dan van een Word-document naar een Excel-sheet, oftewel hoe maak je plannen concreet? ‘Zet uiteindelijk je plannen om in een regionale investeringsagenda, om de kloof tussen plannenmakerij en uitvoering te overbruggen. Zo voorkom je ook de vraag welke gemeente wat oppakt. En realiseer je als gemeente dat je door deelname en te investeren, wel in een trechter belandt waaruit het niet makkelijk ontsnappen is. Je committeert je financieel. Dat geeft investerende marktpartijen vertrouwen; zij zullen eerder bereid zijn om mee te doen. Er is altijd een mogelijkheid om er weer vanaf te komen, maar niet straffeloos. Dit moet je ook aan de gemeenteraden meegeven. Maar sluit een escape niet bij voorbaat uit. Als je dat doet, worden gemeenteraden halsstarrig.’