3.3 Knelpunten mobiliteitssysteem

Naast de opgave om een duurzaam en toekomstbestendig mobiliteitssysteem te realiseren, bestaan er in de huidige situatie al knelpunten die in veel gevallen binnen afzienbare tijd om een oplossing vragen. Per subregio zijn in de navolgende alinea’s de belangrijkste thema’s benoemd.

Leidse regio

OV

De Leidse Regio kent qua OV-ontsluiting een duidelijk opbouw. De relatie met omliggende metropoolregio’s MRDH, MRA en Utrecht wordt ingevuld door het hoofdspoornet. De Oude Lijn tussen Dordrecht en Haarlem/Amsterdam is daar de belangrijkste drager. De stations langs die Lijn vervullen een belangrijke rol in het verknopen van het bussysteem aan het railsysteem en vice versa. Als belangrijke andere schakel is er de verbinding tussen Leiden en Woerden/Utrecht. Station Lammenschans en Leiden Centraal zijn de aansluitpunten op de lijn. Vooral voor Leiden Centraal is de blijvende groei van het aantal reizigers in relatie tot de fysieke ruimte van het station en de aan- en afvoerroutes van bus en fiets (en de bijbehorende stallingen) een aandachtspunt dat de komende jaren een toekomstbestendige uitwerking nodig heeft.

De geografische ligging van zowel de spoorlijnen als de zwaartepunten van de bebouwing maakt dat de toevoerroutes naar de stations soms lang zijn (ook vanuit Katwijk). Niet alleen in afstand, maar ook in tijd omdat busverbindingen op grote delen van het netwerk meerijden met het autoverkeer. En dat netwerk kent over de dag perioden met grote verkeersbelasting en de daarmee gepaard gaande congestie en lage doorstroomsnelheid.

Fietsenstallingen bij zowel stations als drukkere bushaltes blijft achter bij de vraag. Er wordt op verschillende locaties gewerkt aan het vergroten van de capaciteit, maar gelet op de verwachting dat het aandeel fiets-OV zal blijven groeien, blijft dit een aandachtspunt. Gelet op de beperkt beschikbare ruimte op sommige locaties, is het de verwachting dat oplossingen gepaard gaan met flinke investeringen.

Er is en wordt geïnvesteerd in HOV-routes, maar gelet op de verwachte groei van reizigers is de vraag of het aanbod en de daarmee verbonden capaciteit op termijn voldoende is. Naast het ‘standaard’ OV rijdt er in de regio de Regiotaxi als een deur-tot-deur systeem.

Fiets

De netwerken voor fiets zijn momenteel vooral lokale netwerken die via een beperkt aantal lijnen aan elkaar zijn verbonden. De fiets is het vervoermiddel dat op een afstand tot circa 15 kilometer voor veel reizigers een alternatief is voor auto en OV. Binnen de netwerken zitten een aantal

knelpunten die het lokale oplossingsvermogen overstijgen. Het gaat dan met name over het slechten van barrières als Rijkswegen, provinciale wegen en waterwegen. Door fietsnetwerken te versterken, draagt dit bij aan vermindering van het aandeel autoverkeer in de Leidse Regio. Het zorgt het voor een betere voeding van het OV (zowel spoor als bus) en maakt een verdere verstedelijking mogelijk vanwege het efficiëntere ruimtegebruik in vergelijking met het autonetwerk.

Autoverkeer

Het huidige wegennetwerk kenmerkt zich (pre-Corona) door een grove maaswijdte van de hoofdwegenstructuur in de Leidse Regio. Oftewel een beperkt aantal wegen wikkelt al het verkeer af. In de spitsen (maar ook op andere perioden) is er sprake van een ‘vol’ netwerk, met congestie als resultaat. Negatieve aspecten als sluipverkeer door woonbuurten, vermindering van verkeersveiligheid, verminderde luchtkwaliteit en trillingshinder zijn een dagelijkse ergernis van zowel de weggebruiker als de omwonenden.

Mede gelet op de ruimtevraag voor andere functies en de transitie naar een duurzamer mobiliteitssysteem is het de vraag hoe en waar dit netwerk versterkt moet en kan worden. Daarbij gaat het om het gehele wegennet, dus inclusief de Rijks- en provinciale wegen. Er wordt hard gewerkt aan de Rijnlandroute en de Leidse Ring Noord. Dit zal in de Leidse Regio zijn effect hebben. Maar de verwachting is dat we er daarmee niet zijn. Vooral in Oegstgeest, Voorschoten, Zoeterwoude en Leiderdorp blijven er routes (zoals de Rijnsburgerweg) waar doorstroming op gespannen voet staat met leefbaarheid. Ook de verkeersbelasting op de A4 en de A44 heeft effect op het interne wegennet van de Leidse regio. In de huidige situatie wordt bij congestie op de Rijkswegen geconstateerd dat een deel van het verkeer alternatieven zoekt en routes gaat nemen door het stedelijke gebied van de Leidse Regio. Een ongewenste situatie.

De laatste jaren neemt de verkeersdruk op het deel N206 Leiden-Zoetermeer steeds verder toe. Dit komt door de autonome groei van het auto- en sluipverkeer dat de files op de A4 en A12 wil vermijden. De aanleg van de Rijnlandroute en de verbreding van de A4 zijn ontwikkelingen die zullen leiden tot een betere doorstroming van het hoofdwegennet, maar zullen de druk op het onderliggende wegennet aanzienlijk vergroten, met name op het genoemde traject op de N206.

Rijn- en Veenstreek

Cruciale verbindingen in het oostelijk deel van de regio

De groei van wonen, werken en goederentransport leidt onvermijdelijk tot een grotere druk op de mobiliteit. In algemene zin is hier al in hoofdstuk 2 naar verwezen. Het huidige mobiliteitssysteem loopt tegen haar grenzen aan. Dit is met name merkbaar op de belangrijkste spoor- en autowegen tussen de metropoolregio’s MRDH, MRA, en Utrecht die gelden als magneten voor economische ontwikkeling. Het verder verdichten met woningen in de stad Alphen aan den Rijn vergroot de druk op het lokale en regionale wegennetwerk. Nieuwe verbindingen en overstappunten op logische locaties zijn nodig om de toenemende verkeersdruk het hoofd te kunnen bieden en Alphen aan den Rijn een bereikbare en leefbare stad te houden. Daarnaast houden deze verbindingen de leefbaarheid en bereikbaarheid van de kleinere kernen zoals Hazerswoude, Woubrugge en Ter Aar op peil. Dit geldt met name als Alphen aan den Rijn als centrumstad een steeds grotere rol binnen de (sub)regio gaat spelen. Naast weginfrastructuur zal het de komende jaren vooral gaan over het investeren in openbaar vervoer, scheepvaart en fiets, allen als alternatief voor de auto. Nieuwe verbindingen naast verbindingen voor de Oude lijn (spoorverbinding Dordrecht – Amsterdam) zijn echter nog niet in beeld, terwijl deze juist kunnen leiden tot een synergie waar alle regio’s van profiteren. Centraal staat de realisatie van een Noord-Zuidverbinding: een HOV-verbinding van Rotterdam naar de metropoolregio Amsterdam via Zoetermeer en Alphen aan den Rijn, in de richting van Schiphol en Uithoorn. Deze verbinding past ook in de verstedelijkingsopgave waarin de doorontwikkeling van Alphen aan den Rijn tot volwaardig knooppunt het uitgangspunt is. In dit scenario sluiten verschillende (OV-)vervoersvormen goed op elkaar aan en ontstaat door verdere verdichting een dynamisch gebied. Bovendien worden de stad en de regio zo beter aangesloten op de overige metropoolregio’s. Zo vormt het een robuuster onderdeel van de polycentrische structuur van de Randstad.

Wegverbindingen, leefbaarheid en bereikbaarheid kernen

In de Rijn- en Veenstreek is in vergelijking met de metropoolgebieden relatief weinig bedrijvigheid. Hierdoor reizen veel inwoners vanuit de dorpen richting de steden om te werken of studeren. Het grootste deel van de werknemers in de Rijn- en Veenstreek is gericht op de Noordvleugel van de Randstad (regio Amsterdam en Utrecht). Verbindingen met de Noordvleugel zijn echter niet optimaal. En ook naar de Leidse en Haagse regio’s is sprake van overbelasting van weg en spoor. Knelpunten zijn onder andere de provinciale weg N207 (bijvoorbeeld de het deel tussen de Drechtbrug en de brug over de ringvaart (Leimuiderbrug), de N11 ter hoogte van de gelijkvloerse kruisingen, en de N231 in aansluiting op de N201. De knelpunten leiden tot opstoppingen van autoverkeer in dorpskernen en een daarmee gepaard gaande afname van de leefbaarheid omdat verkeer, zowel personen- als vrachtverkeer zich een weg zoekt door dorpskernen. Voorbeelden hiervan zijn kleine kernen zoals Rijnsaterwoude, Noorden en Nieuwe Wetering, maar bijvoorbeeld ook Roelofarendsveen. Dit geldt evenzeer voor verkeer van de A4. Vracht- en landbouwverkeer dat door dorpskernen rijdt, zorgt voor (een gevoel van) verkeersonveiligheid, barrièrewerking en geluidshinder. Dit betreft veel kleine kernen in de Rijn- en Veenstreek. Pregnante voorbeelden hiervan zijn onder andere Leimuiden, Boskoop en Hazerswoude-Dorp.

Ten zuiden van de N11

Ook in het zuidelijk deel van de Rijn en Veenstreek zijn leef- en bereikbaarheidsproblemen. In dit gebied vinden vanaf 2007 diverse onderzoeken plaats om de knelpunten in Hazerswoude Dorp en Boskoop (Greenportregio Boskoop) te verminderen. Dit proces heeft in 2018 geresulteerd in een eerste stap: een uitvoeringsbesluit over de aanleg van de (Verlengde) Bentwoudlaan en verbetermaatregelen op en rond de N209 Hazerswoude-Dorp. Het programma Beter Bereikbaar Gouwe is het vervolg hiervan. Voorts is in 2021 een onderzoek opgeleverd over het zuid-westelijk deel van het gebied, rond de provinciale wegen N206-N209. Een en ander heeft geleid tot een maatregelpakket van circa vijftig miljoen euro, bovenop de huidige investeringen, waarover in 2021 besluitvorming plaatsvindt. Het betreft onder andere de aanleg van nieuwe infrastructuur voor zowel fiets als (vracht)auto en de regionale inzet en lobby voor het volledig maken van het knooppunt N11/A12 (MIRT maatregel). Daarnaast worden twee studies opgestart waarbij twee onderdoorgangen worden verkend: een tunnel in de N209 ter hoogte van Hazerswoude Dorp en een oeververbinding onder de Gouwe, aansluitend op de N207 bij Boskoop. Deze studies vinden plaats in samenwerking met provincie en gemeente(n). Vooral de inzet voor het verbeteren van knooppunt N11/A12 is een maatregel die sterk samenhangt met de regionale ambities en speerpunten van Holland Rijnland (zie ook hoofdstuk 4).

OV

In de landelijke gebieden is het huidige OV ontoereikend. Verbindingen sluiten niet goed op elkaar aan en gebruikmaken van het OV is tijdrovend. In het bijzonder zijn zorginstellingen en bedrijventerreinen niet goed bereikbaar met het OV. De praktijk leert dat - zeker in kernen in Nieuwkoop en Kaag en Braassem - het OV voor veel inwoners al een tijd geen serieuze optie is. Het is daarom - ook met betrekking tot de duurzaamheidsafspraken - de ambitie om het OV te verbeteren door goede aansluitingen te realiseren met snelle verbindingen, als ook goede doorgaande fietsroutes aan te leggen. Zo worden OV of fiets voor veel inwoners op termijn een eerlijk alternatief voor de auto en helpt het de wegen te ontlasten.

Het is dus van belang om enerzijds hoogwaardig openbaar vervoer aan te bieden om inwoners een snelle verbinding te geven richting de centrumgemeenten en economische clusters. Anderzijds is ook in de haarvaten openbaar vervoer nodig om voorzieningen te kunnen bereiken. Dit betekent dat langzamere, toegankelijke busverbindingen met korte halteafstanden als basisnetwerk noodzakelijk blijft. Daarnaast wordt de Rijn- en Veenstreek ook steeds aantrekkelijker voor recreanten en toeristen. De inzet is ook om bezoekers aan de regio te stimuleren zoveel mogelijk met het OV of op de fiets te komen. Dit betekent dat de toeristische trekpleisters, inclusief de natuurgebieden, goed bereikbaar moeten zijn met het OV en dat overstappunten op de juiste locaties liggen.

Fiets

De fiets is, ook in het landelijk deel van de Randstad, vaak een goed alternatief voor de auto en steeds meer ook voor het OV. Ook over langere afstanden, gezien de actieradius van de elektrische fiets. Het ontbreekt in de subregio echter aan snelle, veilige en robuuste fietsverbindingen naar economische clusters en woongebieden. Hier zijn verbeteringen mogelijk waar regionale fietsroutes, (hoogwaardig)openbaar vervoer en wegverbindingen samenkomen. Dit zijn locaties die zich goed lenen voor het realiseren van overstappunten of hubs, zowel utilitair als recreatief. Naast de ring rond Alphen aan den Rijn valt te denken aan locaties bij Leimuiden, Nieuwkoop, Zevenhoven en Hazerswoude-Rijndijk.

Water

Zoals bij paragraaf 2.4 al aangegeven, ontstaan - vooral in het zomerseizoen als gevolg van lange en frequente burgopeningen – lange wachtrijen op zowel weg als water. Locaties zoals de Leimuiderbrug of de Hefbrug in Boskoop zijn beruchte knelpunten in de weg- en watersystemen van de Rijn- en Veenstreek. Het ingewikkelde aan deze problematiek is dat er verschillende beheerders van de objecten en systemen zijn, ieder met zijn eigen belang. Dit vraagt om een bovenlokale aanpak van deze knelpunten.

Stedenbouw en duurzame mobiliteit

Woonwijken worden voor tientallen jaren aangelegd, terwijl bijvoorbeeld binnen twee decennia een groot deel van het wagenpark afhankelijk is van opladen bij oplaadpunten of bij de woning. Deze transitie naar duurzaam vervoer betekent dat er een opgave ligt om hier nu al op te anticiperen bij stedenbouwkundige plannen.

Duin- en Bollenstreek

Verbindingen en ontbrekende schakels

De Duin- en Bollenstreek heeft van oudsher een Noord-Zuid oriëntatie, ontstaan uit een organische ontwikkeling. Het is voor een belangrijk deel het gevolg van de landschappelijke ondergrond waardoor wegen op strandruggen werden gebouwd en dorpen daaromheen. De Duin- en Bollenstreek was als gevolg daarvan vroeger economisch met name gericht op Leiden en Haarlem. Na het inpolderen van de Haarlemmermeer zijn er ook Oost-West wegverbindingen aangelegd, met name in de Haarlemmermeer zelf. De laatste decennia is er ondanks de enorme economische, maatschappelijke en technische ontwikkelingen, nauwelijks nieuwe weginfrastructuur toegevoegd in dit deel van de regio. Dit terwijl de relaties tussen de Duin- en Bollenstreek met de rest van Nederland, en daarmee ook de verplaatsingsbehoefte, enorm zijn toegenomen. De Noord-Zuid oriëntatie is gebleven en de Oost-West oriëntatie is erbij gekomen.

Concreet betekent dit dat er vooral vanuit Hillegom en Lisse behoefte bestaat aan betere verbindingen naar de Haarlemmermeer en Schiphol. Dit betreft zowel fiets-, OV- als wegverbindingen. In Katwijk bestaat de behoefte aan doorontwikkeling van hoogwaardige OV- en fietsverbindingen richting Leiden. Tegelijkertijd vormen in Katwijk de Oude Rijn en de provinciale wegen barrières voor het fietsverkeer in Noord-Zuidrichting. Voor Noordwijk is door de westelijke ligging een betere bereikbaarheid van de kustplaats en het Space cluster essentieel. Een adequate Oost-Westverbinding en hoogwaardig openbaar vervoer zijn daarin cruciaal. Teylingen ligt gunstig ten opzichte van het hoofdwegennet (A44), maar deze is ter hoogte van Sassenheim verouderd (verouderd profiel, smalle kunstwerken die als bottleneck werken en korte op- en afritten op onderling korte afstand van elkaar). De afwikkeling van het verkeer is vaak onvoldoende, wat negatief doorwerkt in de bereikbaarheid van Teylingen.

Voor Sassenheim geldt dat de regionale verkeersstromen via de N208 en de N443 (Voorhout, Noordwijkerhout en Lisse) via de bebouwde kom lopen en daar zorgen voor aantasting van de leefbaarheid en de verkeersveiligheid. Met de verdere groei van het verkeer door woningbouwontwikkelingen binnen en buiten de Duin- en Bollenstreek zal dit verder onder druk komen te staan. Voor Warmond geldt dat dat de centrale ontsluitingsweg (Herenweg) ook een functie heeft voor doorgaand verkeer van en naar Oegstgeest en Leiden. Dat leidt ook hier tot impact op de leefbaarheid en de verkeersveiligheid.

Gebrekkige of ontbrekende schakels in de infrastructuur, met name op de Oost-West verbindingen, belemmeren de ontwikkeling van nieuwe werklocaties die nodig zijn om het aantal arbeidsplaatsen te laten meegroeien met het aantal inwoners. Voor de meeste Greenport-gerelateerde bedrijvigheid is bereikbaarheid over de weg de belangrijkste vestigingsfactor. De ontwikkelingen op de as Katwijk-Leiden spelen hierin een rol.

Doorstromingsproblemen

In de huidige situatie ontstaan op een aantal wegvakken en kruispunten dagelijks doorstromingsproblemen in de spits. Verkeersmodellen laten zien dat de verkeersafwikkeling in de komende jaren ernstig dreigt te verslechteren. Grootste knelpunten zijn op dit moment de N206 bij Katwijk (aansluitingen Molentuinweg en N441) en de kruising N207-N208. In 2030 dreigt ook aan de zuidkant van Lisse en bij de aansluitingen op de Noordelijke Randweg Voorhout congestie te ontstaan. Als gevolg van de overbelaste kruispunten ontstaat op enkele plekken terugslag op het onderliggende wegennet. Dat is vooral het geval in de avondspits rondom de kruispunten van de N206 in Katwijk. Op de A44 ontstaat ook op een aantal wegvakken in de regio congestie.

Robuustheid wegennet

Los van de problemen met de verkeersafwikkeling op een aantal aansluitingen en wegvakken is de robuustheid van het regionale wegennet als geheel ondermaats. De kwetsbaarheid van het hoofdwegennet is bijna dagelijks zichtbaar. Reistijden lopen in de spits snel op en calamiteiten op de A4 leiden doorgaans tot een compleet vaststaand regionaal netwerk. Als gevolg van deze onbetrouwbaarheid van het regionale wegennet zoekt het verkeer sluiproutes, vaak door bebouwde gebieden. Een voorbeeld daarvan is de Brouwersstraat in Rijnsburg, die een korte verbinding tussen A44 en N206 vormt. In de Duin- en Bollenstreek kan de robuustheid van het netwerk onder andere worden verbeterd door goede Oost-Westverbindingen in het gebied. Extra capaciteit op de Oost-Westverbindingen kan verkeersdruk op het bestaande wegennetwerk binnen het gebied verminderen.

Maar ook de Noord-Zuidverbindingen vragen de nodige aandacht. Als gevolg van de nog steeds toenemende mobiliteitsvraag, mede onder invloed van woningbouw net buiten de randen van Holland Rijnland, en de verouderde wegenstructuur rijdt er (te) veel verkeer op wegen die daarvoor ongeschikt zijn. De inrichting van de wegen past niet bij de functie en het gebruik. De wegen zijn doorgaans ook niet ingericht om grote verkeersstromen te verwerken. Met als direct gevolg: tal van leefbaarheids- en verkeersveiligheidsproblemen. Bovendien wordt de problematiek versterkt door het relatief grote aandeel vrachtverkeer in de Duin- en Bollenstreek.

Het vele vrachtverkeer zorgt voor (een gevoel van) verkeersonveiligheid, barrièrewerking en omgevingshinder. Andersom leidt de beperkte doorstroming tot economische schade voor vervoerders. Tenslotte hebben de doorstromingsproblemen effect op de kwaliteit van het openbaar vervoer over de weg. Het verbindende en ontsluitende openbaar vervoer loopt in de huidige situatie vaak vertraging op door congestie op het regionale wegennet.

Leefbaarheid en verkeersveiligheid

Veel regionale verbindingen lopen door of net langs woonkernen. Noodgedwongen rijdt veel doorgaand verkeer over deze routes. In Hillegom, Lisse, Noordwijkerhout en De Zilk levert dit knelpunten op wat betreft leefbaarheid en verkeersonveiligheid. Ook een aantal zeer drukke verbindingen, zoals de Van Pallandtlaan in Sassenheim en de N206 in Katwijk leveren zowel verkeersoverlast als milieuknelpunten op.

Niet alleen in dorpskernen, maar ook de verbindingen tussen verschillende gemeenten zijn qua vorm en functie niet op het daadwerkelijke gebruik afgestemd. Dat geldt voor wegen als de N442, N443, N444, delen van de N206, DeIfweg, Stationsweg (Noordwijkerhout- Lisse). De wegen hebben smalle profielen en worden gekenmerkt door veel in- en uitritten, langsparkeren, sloten en smalle fietspaden.

De Ringvaart is een grote fysieke barrière in het gebied. Er zijn zes Ringvaartbruggen waarvan drie met een regionale functie (A44, N207 en N201). De afstand tussen deze bruggen is groot, daardoor krijgen ook bruggen zonder regionale functie, zoals bij Hillegom en Lisse, veel verkeer te verwerken. Deze bruggen zijn door het smalle wegprofiel en het ontbreken van vrij-liggende fietsvoorzieningen niet in staat de grote hoeveelheid (vracht-)verkeer, dat er noodgedwongen gebruik van moet maken, te verwerken. Bovendien zijn het bruggen die vanwege de Staande Mastroute vaak open moeten en daardoor regelmatig voor congestie en overlast zorgen.

De fietsroutes in het gebied lopen veelal over wegen die tevens een belangrijke functie hebben als ontsluitingsroute voor (vracht-) autoverkeer. Dit maakt deze fietsroutes onaantrekkelijk en onveilig. De kernen in de Duin- en Bollenstreek liggen op (elektrische) fietsbare afstanden van elkaar. Door het netwerk van snelfietsroutes verder te ontwikkelen en aan te sluiten op regionaal openbaar vervoer, kan het fietsgebruik nog flink stijgen.